Menu

Bedrijfstakpensioenfondsen en een vrije beleggingskeuze

Eerder schreef ik een artikel over de desinteresse van 10 verplicht gestelde pensioenfondsen op het gebied van dierenwelzijn. Het nieuwe pensioenstelsel maakt het voor bedrijfstakpensioenfondsen mogelijk (gewezen) deelnemers zelf een verantwoord beleggingspakket te laten samenstellen. Een verplichte pensioenregeling, maar wel één met een vrije beleggingskeuze. 

Hoeveel risico’s wilt u delen?

Tot 2026 drie pensioenkarakters:

  1. uitkeringsovereenkomst (middelloonregeling of een inmiddels zeldzame eindloonregeling);
  2. kapitaalovereenkomst; en
  3. premieovereenkomst.

De naam verklapt de belofte. Een uitkeringsovereenkomst belooft een uitkering, een pensioen. Een kapitaalovereenkomst een kapitaal en een premieovereenkomst een premie. Vanaf 2026 kan er alleen nog maar een premieovereenkomst tussen werkgever en werknemer worden overeengekomen. De premie-inleg en beleggingsresultaten resulteren in een pensioenkapitaal waarmee op pensioendatum pensioen wordt gekocht. De hoogte van het pensioen is afhankelijk van het pensioenkapitaal en de rentestand en levensverwachting op pensioendatum.

Vanaf 2026

De premieovereenkomst is na de inwerkingtreding van het nieuwe pensioenstelstel in twee smaken verkrijgbaar:

  1. een premieovereenkomst met een uitgebreide risicodeling (het nieuwe contract); en
  2. een premieovereenkomst met beperkte(re) risicodeling. Dat is een variant op de huidige vorm.

Een uitgebreide risicodeling

Bij ‘het nieuwe contract’ is er sprake van één collectief vermogen voor alle deelnemers, slapers en gepensioneerden. Daar valt tijdens de opbouw- en uitkeringsfase niets te kiezen. Geen beleggingsvrijheid. Naar verwachting de keuze van veel pensioenfondsen. 

Een beperkte risicodeling kan meer vrije beleggingskeuzes bieden

De standaard bij een premieovereenkomst met een beperkte risicodeling is een lifecycle-belegging. Bij een lifecycle-belegging wordt er tijdens de jonge jaren risicovoller belegd dan tijdens de latere jaren. Afwijken van de standaard is technisch in een premieovereenkomst met beperkte risicodeling mogelijk.

Ook verplicht gestelde pensioenfondsen mogen deelnemers meer beleggingsvrijheid geven.

Een afwijking van de lifecycle is ook voor verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen mogelijk. Onder voorwaarden.

De voorwaarden zijn:

  1. De risicodeling moet niet té beperkt zijn. Anders kan dit ten koste gaan van de verplichtstelling. Er moet om de verplichtstelling te behouden voldoende solidariteit overblijven;
  2. Vrij beleggen is alleen mogelijk tijdens de opbouwfase en zolang het persoonlijk vermogen niet is omgezet in een collectief pensioenvermogen. Tijdens de uitkeringsfase is een vrije belegging in ieder geval niet toegestaan;
  3. De pensioenuitvoerder biedt het aan. Hij is niet verplicht een vrije beleggingskeuze aan te bieden;
  4. De beleggingsvrijheid kan tegenvallen. De ‘vrije beleggingskeuze’ wordt namelijk beperkt door de fondsen die de pensioenuitvoerder aanbiedt. Misschien zijn de extra aangeboden fondsen niet duurzamer, diervriendelijker. Dan schieten bewuste (gewezen) deelnemers er op dat gebied niets mee op;
  5. Art. 52 Pensioenwet is van toepassing. De zogenoemde ‘Zorgplicht pensioenuitvoerder bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid’. De consequenties worden in de volgende paragraaf besproken; en
  6. Als een verplicht gesteld pensioenfonds een vrije beleggingskeuze wil aanbieden dient art. 7 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 te worden aangepast. Zie de onderstaande paragraaf ‘Ken-uw-klant-principe’.

Overname verantwoordelijkheid beleggingen

Als de deelnemer de verantwoordelijkheid voor de beleggingen tijdens de opbouwfase kan overnemen brengt dit een zorgplicht voor de pensioenuitvoerder met zich mee. De zorgplicht van de pensioenuitvoerder houdt onder andere in dat de pensioenuitvoerder de (gewezen) deelnemer adviseert over de spreiding van de beleggingen ‘in relatie tot de duur van de periode tot pensioendatum, waarbij het beleggingsrisico kleiner wordt naarmate de pensioendatum nadert’ (art 52 lid 3 PW).

Hoeveel vrijheid zal het pensioenfonds de deelnemer geven?

De deelnemer mag van een advies afwijken. Echter het is niet onaannemelijk dat de pensioenuitvoerder de controle houdt door het palet aan vrije beleggingen zo in te richten dat slechts een beperkte afwijking van het advies mogelijk is (zie voorwaarde 4).  

Ken-uw-klant-principe

Een pensioenuitvoerder die een vrije beleggingskeuze mogelijk maakt moet informatie inwinnen over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van de deelnemer of gewezen deelnemer. Het zogenoemde ‘ken-uw-klant-principe’. Daarna moet hij de (gewezen) deelnemer adviseren.

Om te kunnen adviseren moet een adviseur (een pensioenfonds in deze) volgens de Autoriteit Financiële Markten (AFM) zich in alle relevante informatie over de deelnemer verdiepen. Dat gaat verder dan dat de huidige Wet voor verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen (art. 7) toestaat. Als pensioenpensioenfondsen deelnemers gaan adviseren moet deze wet worden aangepast.

Conclusie

Veel werk maar niet onoverkomelijk. Het kan voor maatwerk zorgen. De verplichtstelling met al haar goede eigenschappen kan in stand blijven, ook als deelnemers zelf meer te kiezen krijgen waarin er wordt geïnvesteerd.

Weer een extra keuze, maar wel één waar vraag naar is!  

Bijgewerkt op 21 september 2020.